Johan Rengers van Ten Post

De Ommelander Jonker Johan Rengers van Ten Post (Ten Post 5 maart 1542 - Ten Post 8 september 1626) was een van de vroegste aanhangers van het calvinisme in het Groningerland, tevens was hij als Ommelander een geharnaste tegenstander van de stad Groningen.
Hij bezat de borgen Tuwinga en Oldenhuis bij Ten Post.
Vanwege zijn geloof ging Johan Rengers in 1580 in ballingschap naar Oost-Friesland en Bremen, om in 1594 na de reductie van Groningen weer terug te keren.Hij speelde een belangrijke rol in de Ommelander politiek.
Rengers is vooral bekend geworden door zijn grote driedelige kroniek van de geschiedenis van de Ommelanden en de stad Groningen.
Hij is begraven in de kerk van Wittewierum.








Titels, Functies en Ervaringen
- heer van Ten Post, Garrelsweer, Tuwinga en Oldenhuis
- hoofdeling te Ten Post, Garrelsweer, 't Zandt en Leermens
- leerling van Preadinius, rector van de St Maartensschool te Groningen
- 1559-1564 Student te Leuven
- verblijf te Landsberg bij familie moeder
- 1574 gehuwd met Bauwe Jensema
- 1577 als lid van de Staten der Ommelanden gevangen genomen op last van stadsregering
- 1578 ontsnapt uit gevangenschap
- 1580 na verraad van Rennenberg met gezin uitgeweken naar Emden (Ophuizen) en later Bremen
- vormt met anderen Ommelander regering in ballingschap
- 1594 keert terug na Reductie van Groningen
- 1594 geroepen tot hoge ambten in regering nieuwe gewest Stad en Lande
- 1594 overste schepper van het Generale Zijlvest der Drie Delfzijlen
- 1594 lid van de Staten der Ommelanden
- 1595-1596 afgevaardigde van Stad en Lande in Staten Generaal
- 1597-1601 lid van Gedeputeerde Staten
- 1602-1607 wederom in Staten Generaal
- 1608-1609 lid van de Raad van State
- 1612-1614 lid van de commissie van voorbereiding der stichting van de academie
- 1615-1620 curator der nieuwe hogeschool


1594 september 24
Gedeputeerde staten van de Vrieschen Omlanden tussen de Eems en de Lauwers, overwegende dat het oversteschepperschap van de Dreen Delffzijlen, dat vroeger aan het klooster Wittewerum toekwam, nu aan hen is vervallen, benoemen Johan Rengers ten Poste tot overste schepper, met een jaarsalaris van 100 Carolus gulden, te betalen uit de opbrengsten van de goederen van het klooster Wittewierum.
(bron: Groninger Archieven)












In de voorrede in de uitgave van het eerste deel van de kroniek van Johan Rengers beschrijft de uitgever, Mr. H. O. Feith, Archivaris van de provincie Groningen in het kort het leven van Johan Rengers:

   Het geslacht RENGERS, reeds vroeg in onze geschiedenis bekend, had zijnen voornamen zetel in eenen sterken burg, het huis te Mude genaamd, nabij ten Post, een gehucht in Fivelgo, naar welk gehucht het zich RENGERS van ten Post noemde.   Uit dit oud aanzienlijk geslacht werd JOHAN den 5 Maart 1542 geboren.   Zijne ouders waren EDZARD RENGERS en FOWEL VAN HOLDINGA.   Nadat hij de lessen van den geleerden REGNERUS PRAEDINIUS eenigen tijd te Groningen had bijgewoond, begaf hij zich tot verdere voltooijing van zijne studie naar de Akademie te Leuven, van waar hij, na een vijfjarig verblijf, Duitschland heeft bezocht en aldaar te Landsberg, bij zijne bloedverwanten van moederszijde, enige tijd heeft doorgebragt.
   In zijn vaderland teruggekeerd, trad hij in het huwelijk met BAUKJE JENSUMA, bij welke hij vier kinderen verkreeg, EDZARD, REMPT, FREDERICA en FOUWEL.
   Onder de Ommelander regenten, leden van den landdag, welke den 1 November 1577 door de regering van Groningen wederregtelijk werden gevangen genomen, bevond zich mede JOHAN RENGERS, die eerst den 15 september 1578 met eenige andere Ommelander edelen is ontvlugt en dus gedurende bijna een jaar te Groningen van zijne vrijheid is beroofd geweest.
   Toen in 1580 vele Ommelanders, de Hervormde godsdienst toegedaan, deze streken ten gevolge van het verraad van RENNENBERG verlieten, vertrok ook JOHAN RENGERS met zijn huisgezin naar Oostvriesland te Ophuisen, bij Emden, welk verblijf hij later verwisseld heeft met Bremen.   Gedurende zijne ballingschap, welke heeft voortgeduurd tot het jaar 1594, heeft zich bezig gehouden met de zamenstelling van de kronijk, gelijk hij op bl. 1 en 2 van de voorrede heeft te kennen gegeven.    Na zijne terugkomst in het vaderland zijn hem vele belangrijke en aanzienlijke betrekkingen achtereenvolgens opgedragen.   Zoo werd hij, onder anderen, in 1595 en 1596 tot lid der vergadering der Staten-Generaal verkozen, daarop was hij gedurende vijf jaren lid der Gedeputeerden, vervolgens werd hij wederom tot lid der Staten-Generaal aangesteld, welke waardigheid hij toen vijf jaren bekleedde. In de jaren 1608 en 1609 was hij lid van den Raad van State. Bij de oprigting der Akademie werd hij tot Curator aangesteld, "quod" zegt de Hoogleeraar A. MATTHAEUS in het korte levensberigt, bij den dood van den heer JOH. RENGERS, door hem opgesteld en gedrukt, "quod inter  primos fuerit suasor et autor Academiae hoc loco aperindae et apertae."
   Nadat hij zijn vaderland in deze en andere gewigtige betrekkingen vele diensten had bewezen, is hij den 8 September 1626 in den hoogen ouderdom van 84 jaren overleden. 


Artikel uit Nieuwsblad van het Noorden van 25-03-1939

Johan Rengers van ten Post Ommelander Edelman
Chroniqueur — Regent — Medestichter onzer Hoogeschool

Onder de aanzienlijke Groninger geslachten treft men reeds vroeg den naam Rengers. Midden 14e eeuw was Thitmarus Rengher een der vier Burgemeesters van de toen reeds bloeiende koopstad Groningen. De geslachtsnaam Rengers ontstond naar den persoonsnaam Renger. Thitmarus Rengher was dus een man van aanzien en beteekenis in de stad. Was dan ook getrouwd met een dochter van 't geslacht Menolda van Helium. Dit echtpaar kan men beschouwen als de stamouders der familie. Een zoon van hen — Johan Rengers — treffen we later als Burgemeester der stad. Hij was gehuwd met een Ompteda van 't Zandt. Johan Rengers was in 1397— 1399—1400 en 1413 een der Burgemeesters van Groningen, in October 1413 was er vergadering van den Raad op het Stadhuis, 't Was een bijzonder onrustige tijd: voortdurend twisten en schermutselingen tusschen de bekende partijen der Schieringers en Vetkoopers! Tijdens de vergadering drong een woeste bende het Raadhuis binnen : richtte er een waar bloedbad aan. Burgemeester Johan Rengers werd op staanden voet in de Raadzaal afgemaakt, de Raadsheeren Albert Borelts en Johan Hekman werden door de vensters op straat geworpen en — daar gedood.... Een zoon van dezen ongelukkigen Burgemeester — Ditmar Rengers — treffen we in 1420 als Burgemeester der stad. Later bekleedt weer een Johan Rengers dit ambt: 1458—1459— 1474. Na dien tijd treffen we geen Rengers weer onder de Burgemeesters. Johan Rengers komt ook voor als hoofdeling te Scharmer en als rentmeester van den Bisschop van Utrecht. Hij ontving in 1461 van het convent Mariërswolde bij Nordhorn in het graafschap Bentheim deelen van de tienden in de marke en het kerspel Haren. Ook ontving hij den eeretitel ridder. Dat 't geslacht reeds vroeg vermogend en aanzienlijk was, blijkt mede uit het feit, dat Johan Rengers in 1499 de leenopdracht van den Hertog van Saksen verkreeg van verschillende goederen in Fivelgo. Deze opdracht was een poging het leenstelsel ook in de Ommelanden in te voeren. De poging is echter mislukt. Door die leenopdracht echter is de familie Rengers een voorbeeld van dubbelen adel: den Frieschen vrijen adel en den leenadel.

De Rengers waren naar de oude Fivel georiënteerd....: telkens treffen we ze in 't oude landschap Fivelgo. Hun belangen gingen vooral uit naar Ten Post Ditmar Rengers — in 1420 Burgemeester van Groningen — huwde met Hisse Ackinga, dochter van Ebbe Ackinga tot Oldenhuis, bij Ten Post. Door dit huwlijk werd Oldenhuis vervolgens een stamhuis der Rengersen en ontstond het geslacht Rengers van Ten Post.

Ten Post lag met het oog op het verkeer in die dagen — meest geconcentreerd op waterwegen — zeer gunstig. Hier vond men de Fivel: oudtijds een belangrijken waterweg. In de 15e eeuw werd de Fivel met de stad in verbinding gebracht. Ten Post bezat dan ook vanouds een viertal borgen: het Huis Ter Mude (in de 16e eeuw reeds verdwenen), 'Oldenhuis (1715 gesloopt), Tammingahuizen (1765 afgebroken), Tuïnga of Tuwingaborg (1788 verdwenen). De voornaamste dezer borgen was Tuïnga of de Tuwingaborg. Ze werd mede een stamslot van de familie van „Balk en Roos", zooals 't geslacht Rengers in een huwlijksvers wordt aangeduid. Een zinspeling op het familiewapen: in blauw een gouden dwarsbalk, vergezeld van drie rozen van 't zelfde. Van Ten Post uit heeft het geslacht zich over de Ommelanden verspreid. We kregen naast de Rengers van Ten Post, die van Helium, Slochteren, Farmsum. In vele kerken, op kerkhoven vindt men grafsteenen voor vertegenwoordigers van dit geslacht: Wittewierum, Helium, Slochteren, 't Zandt. Avondmaalsbekers en -schotels van verschillende kerken geven den naam of het wapen Rengers: Garrelsweer, Harkstede, Siddeburen, Obergum, Tjamsweer.

De Tuwingaborg lag aan den zuidkant van Ten Post. aan de westzijde van den weg naar 't naburige Wittewierum. Een flinke, royale borg met hooge trapgevels en een aardig daktorentje. Geheel uit het water opgetrokken, omringd door een borstwering. De brug over de gracht gaf aan beide einden aardige poortjes, een dezer bezat een zware afsluitdeur. Op de borg woonde in de 15e eeuw de familie Tuwinga. Een dochter van deze familie — Hisse Tuwinga — huwde in de tweede helft der 15e eeuw met Egbert Rengers, zoon van het reeds genoemde echtpaar Ditmar Rengers en Hisse Ackinga van Oldenhuis te Ten Post. Egbert Rengers en Hisse Tuwinga verkregen een zoon Johan Rengers van Ten Post. Hij werd bevelhebber van het leger van den bekenden graaf Edzard van Oost Friesland, zijn grootsten vriend. Toen graaf Edzard te Emden overleed, stond Johan Rengers aan het sterfbed. Johan Rengers huwde met Jutte Ten Water, erfdochter van de Arentshorst bij Ommen (Overijssel) 't Echtpaar verkreeg vijf kinderen. Een zoon, Ditmar, werd in den geestelijken stand opgenomen en overleed als Abt van het klooster te Rottum, een andere zoon, Edzard — genoemd naar graaf Edzard, den grooten vriend van z’n vader — huwde met een Friesche vrouw, Fouwel van Holdinga van Anjum. Hij was een sterk voorstander der Hervorming. Moedigde het „beeldenbreken" in de kerken aan, werd door Alva verbannen en vluchtte naar Oost Friesland. Kwam later terug en liet op de Tuwingaborg een Hervormden predikant voor hem en de zijnen preeken. De afval van Rennenberg noodzaakte hem weer naar Oost Friesland uit te wijken, waar hij te Emden overleed.

Edzard Rengers en Fouwel van Holdinga — de tweede stamouders van 't geslacht Rengers, de thans nog in wezen zijnde takken der familie zijn alle uit hen ontsproten — bezaten verscheidene kinderen. De oudste zoon was onze Johan Rengers van Ten Post, geboren 5 Maart 1542. Deze volgde z’n vader als heer van Ten Post op. Johan Rengers is vooral de man geweest, die den naam Rengers en het slot Tuwingaborg groote bekendheid gaf. We geven hierbij zijn portret op 33-jarigen leeftijd.

Hij was gehuwd met Bauwe Jensema, dochter van Rempt Jensema van Oldehove en Frerke Gaykinga. Johan Rengers genoot een uitstekende, klassieke opvoeding. Als jongeling volgde hij de lessen van den grooten Winsumer geleerde en pedagoog Regnerus Praedinius aan de Sint Maartensschool — voorlooper van het Gymnasium — te Groningen. Onder Praedinius was deze school zoo vermaard, dat van heinde en ver — uit Duitschland, Frankrijk, Italië, Spanje, Polen — leerlingen en geleerden naar onze stad stroomden als voor een beroemde Academie! Op zeventienjarigen leeftijd vertrok Rengers naar de Universiteit te Leuven, om z’n studiën daar voort te zetten. Hij bleef er vijf jaar studeeren. Vervolgens vertoefde hij eenigen tijd in Beieren, bij bloedverwanten van moeders zijde. Ofschoon niet bekend, wanneer hij hier terug keerde, weten we toch, dat hij in den herfst van 1577 weer in de Ommelanden woonde. Toen toch den 1 Nov. 1577 de leden der Staten van de Ommelanden te Groningen vergaderden, en op last der Stadsregeering gevangen genomen werden, bevond zich hier ook bij Johan Rengers van Ten Post, benevens zn bijna 80-jarige vader Edzard Rengers. De beide Rengers werden met twee andere leden der Staten in hun eigen huis in de stad gevangen gezet. Later werden ze „geborgen" in het huis van Dr. Westendorp. Dit huis stond bij den Martinitoren. Om ontvluchten te voorkomen, werden de ramen dicht gespijkerd. Bedorven lucht in de kamers was het gevolg: men ging daarin — zoo schreef Johan Rengers later — „als swimelende" Eerst in den herfst van 't volgend jaar verkreeg Johan Rengers zn vrijheid terug door — te ontvluchten.

Johan Rengers was — evenals z’n vader — zeer Hervormingsgezind. Na het verraad van Rennenberg (1580) vond Rengers het geraden met z’n gezin de wijk te nemen naar Oost Friesland, het oord der ballingen in die dagen. Eerst vertoefde hij te Ophuizen, in de buurt van Emden, om later naar Bremen te vertrekken. Met andere Ommelander ballingen vormde hij hier als 't ware een Ommelander regeering.... Rengers speelde — al was hij dan ook in 't buitenland — een gewichtige rol in de strijdvolle dagen van 1580 tot 1594 in Stad en Ommelanden. Gedurende z’n verblijf in O. Friesland schreef hij een groot gedeelte van zn bekende merkwaardige Kroniek. Na de Reductie (1594) keerde Johan Rengers naar ons gewest terug. Stad en Lande verkreeg een nieuwe regeering en Rengers werd direct lid der Staten van de Ommelanden. Verschillende hooge ambten werden hem toevertrouwd: afgevaardigde Staten Generaal, lid der Gedep. Staten en den Raad Van State. Toen hier in de stad de oprichting van een „Collegium van eenige faculteyten" (Hoogeschool) ter sprake kwam, en in 1612 een Commissie van voorbereiding werd ingesteld, werd onder anderen voor de Ommelanden mede aangewezen „de edele, erentfeste, hoochgeleerde ende seer voorsienige Johan Rengers ten Post, Joncker ende Hoveling". Johan Rengers maakte tijdens zn ballingschap kennis met den geleerde Ubbo Emmius, rector van het gymnasium te Leer. Hoogstwaarschijnlijk heeft deze kennismaking er toe meegewerkt, dat Emmius door den Raad van Groningen benoemd werd tot rector der St. Maartensschool. Door invloed van Rengers vooral werd Emmius later verzocht Hoogleeraar te worden aan onze nieuwe Hoogeschool. In 1615 werd Johan Rengers curator der Hoogeschool en bleef dit tot 1620.

Rengers was voor zijn tijd een man van ruime ontwikkeling en beschaving. Daarnaast bezat hij „politieke bekwaamheden": hij was een geboren regent. Zijn ruime blik blijkt vooral uit z’n nagelaten geschriften. Trots z’n veelbewogen leven, vond hij nog tijd en genegenheid historiewerken te schrijven. Het manuscript — in folio gebonden — is grootendeels door z’n zoon Edzard overgeschreven. Het meest bekend is z’n Kroniek, die hij zelf den titel gaf: „Extract uth verscheiden historiën cronykken und andere scrifften". Hij behandelt hierin de geschiedenis der Ommelanden van de oudste tijden tot einde 1585. Het oudere gedeelte beschrijft hij naar allerlei bekende historici, het latere meer naar oorspronkelijke documenten, mondelinge mededeelingen en eigen belevenissen. Uit den aard der zaak is hij partijdig: tegen de Spanjaarden, tegen de stad. De feiten zijn echter juist en over 't geheel onaantastbaar. De groote geschiedschrijver Bor gebruikte de Kroniek van Rengers. Vele bladzijden, betreffende de twisten tusschen Stad en Ommelanden, heeft hij overgenomen. Ook gaf Rengers een historische beschrijving van den regeeringsvorm der Ommelanden. De Kroniek en dit laatste werk zijn midden vorige eeuw uitgegeven door Mr. H. O. Feith. Rengers heeft bij het samenstellen van z’n Kroniek geput uit de Kroniek van Abel Eppens tho Equart.

Johan Rengers en z’n zoon Edzard leefden vaak in onmin met den heer der naburige burcht Oldenhuis. Deze lag op korten afstand van de Tuwingaborg. Steeds voerden beide borgen strijd over het gebruik van den langs de borgen loopenden rijweg van Ten Post naar Wittewierum. De twist liep soms zoo hoog, dat wapenen gebruikt werden De overlevering vertelt, dat Oldenhuis een nieuwen weg liet leggen van Wittewierum naar Winneweer: bij het uitgaan in de richting Appingedam behoefde men Tuwingaborg niet te passeeren…. Deze weg heet nog steeds in den volksmond „Spiekerweg": zoo genoemd, omdat de burchtheeren elkaar steeds „spiekerden", plaagden….

Johan Rengers van Ten Post eindigde z’n voor vaderland en vrijheid zoo welbesteed leven op de Tuwingaborg. Hij overleed aldaar 8 Sept. 1626 in den gezegenden ouderdom van 84 jaar. Hij werd op het koor der kerk te Wittewierum begraven. Op z’n grafsteen las men: „Wel Edele Ehrentveste Johan Rengers to Tuïnga jonker en hovelinck ten Post. Gardelsweer, Zant en Leerms etc. geboren d. 15 Martij 1542 gehillickt d. 1 Maij 1574. In den Here gerustet den 8 September 1626". De zerk prijkte met de wapens Rengers en Van Holdinga. Z'n weduwe overleed in 1636 en werd eveneens op het koor in de kerk te Wittewierum begraven.

De zoon van den Chroniqueur — Edzard Rengers — verbouwde Tuïnga tot een vleugelvormige borg. 't Geheel kreeg een 17e eeuwsch karakter. Aan het huis werd het wapen Rengers aangebracht, waarbij het opschrift: „Johannes Rengers in Post, toparcha, natus 15 Marti 1542, obiit 8 Sept. 1626". Edzard eerde aldus zijn vader. De Tuwingaborg bleef door Rengers bewoond tot ongeveer 1693. Rengers vestigde zich toen op het slot te Farmsum. De Tuwingaborg werd verhuurd en in 1788 gesloopt. De tot het laatst der 17e eeuw gebruikelijke toevoeging Ten Post aan den naam Rengers kwam in onbruik. Het borgterrein behoorde met het collatierecht van Wittewierum nog lang tot een afstammeling in vrouwelijke linie van den eminenten Chroniqueur en Staatsman: Johan Rengers van Ten Post.